Nog een paar nachtjes slapen en dan barst De Elfde van de Elfde 2026 los. Misschien duik je met je kiel aan de stad in om het carnavalsseizoen met vrienden in te luiden, of sta je vol spanning te wachten op de bekendmaking van de prins van jouw carnavalsstad of -dorp. Het carnavalsfeest is echter niet zomaar ontstaan. Nee, het verhaal achter 11 november heeft heel andere wortels. En die hebben alles te maken met de kerk, zeggen experts.
Sint-Maarten, oftewel Martinus van Tours, was een Romeinse legerofficier die later bisschop werd in Frankrijk. Zijn beroemdste daad? Het delen van zijn mantel met een bedelaar. "Dat was revolutionair in de vierde eeuw", zegt hoogleraar Paul Van Geest. "Je mantel was je status, je identiteit. In die tijd was niemand bij geboorte gelijk aan een ander. Martinus brak met die gedachte."
Hij overleed in het jaar 397 en werd op 11 november begraven. Sindsdien staat die dag symbool voor gelijkheid en barmhartigheid.
Wie kijkt naar de hossende menigte in blauwe kielen op de Parade in Den Bosch, ziet misschien nog iets van die gelijkheid terug. Maar tijdens het hossen en springen is dat waarschijnlijk niet de eerste gedachte die opkomt. Toch werd dit feest van delen en omzien naar elkaar de start van het carnavalsseizoen. Sint-Maarten en het feest dat we nu kennen, hebben dus wel degelijk iets met elkaar te maken.
"De Elfde van de Elfde markeert het einde van het landbouwjaar", legt Van Geest uit. De druiven waren geoogst en de voorraadschuren gevuld. "De armen mochten op deze dag, de dag van Sint-Maarten, aankloppen bij de rijken om voedsel te vragen. Zo konden ze de winter doorkomen."
11 november was een dag van delen met de armen en nog één keer goed eten en drinken voordat de winter aanbrak. "Dat is een stillere tijd, een tijd van zuinigheid, somberheid en bezinning", zegt Van Geest.
En voordat we gaan bezinnen en rustig aan doen, gaan we graag nog één keer uit ons bol. Dat doen we immers ook tijdens carnaval. In februari gaan we nog één keer uit ons dak voordat de vastentijd aanbreekt. Volgens Feijen werd er rond de Middeleeuwen twee keer per jaar gevast: vóór 11 november en na carnaval. "De vastenperiode na carnaval duurt veertig dagen. 11 november ligt precies veertig dagen voor 21 december, het begin van de winter. Een perfect moment om dit feest te vieren."
Het Elfde van de Elfde-feest was nog niet zo carnavalesk als nu, zegt William Feijen uit Helmond. Hij geeft al ruim dertig jaar als 'Professor Carnaval' lezingen over het onderwerp. "Het was vooral een eet- en drinkfestijn."
Langzaam ontwikkelde het zich tot een feest met podia en artiesten. "Mensen maakten in de Middeleeuwen op 11 november ook al muziek. Zo speelden ze bijvoorbeeld op een lier, de voorloper van de harp."
Volgens Van Geest is het dus heel logisch dat 11 november en carnaval met elkaar verbonden zijn geraakt. "Het zijn allebei momenten waarop een periode van overvloed overgaat in een soberdere tijd", zegt hij. "We kunnen immers niet altijd feesten, er is ook een tijd van stilstaan. Maar die mag best met een feestje worden ingeluid. Dat gebeurt twee keer per jaar. 11 november is eigenlijk een soort kleine carnaval."
Nu draait het feest voor veel mensen om gezelligheid en samen een biertje drinken. Voor anderen, die de Elfde van de Elfde wat traditioneler vieren, is dit het moment waarop de prins bekend wordt gemaakt. Ook die belangrijke traditie komt uit de Middeleeuwen, legt Van Geest uit. "De nar mocht destijds zeggen wat anderen niet durfden. Hij was het symbool van de waarheid."
Tegenwoordig maken we Prins Carnaval bekend op 11-11. Tijdens carnaval wordt hij in het dorp de baas in plaats van de burgemeester. "De prins is eigenlijk de oppernar", zegt Van Geest. "Hij neemt voor een paar dagen de macht over van de burgemeester en mag vrijuit spreken. Vaak zijn dat mensen die iets betekenen in het dorp. En in hun toespraken verwerken ze nog altijd kritiek, maatschappelijke thema's en dingen die leven onder de mensen."
