Boswachter Frans Kapteijns deelt wekelijks zijn kennis van de natuur. Iedereen kan vragen insturen via stuifmail@omroepbrabant.nl. Dit keer besteedt Frans onder meer aandacht aan de grote hoeveelheid dunsnavelnotenkrakers die ons land bezoeken en het vreselijke gedrag van de mens, een piepklein huisjesslakje met een mooie naam, een dode zanglijster, een leeggegeten insectenhuid en een zwam die op een spons lijkt. Deel twee van deze Stuifmail wordt zondagochtend gepubliceerd.
Stuifmailvraag nummer 25
De reigerfamilie kent in ons land veel broedende soorten, welk antwoord is fout?
A. Blauwe reiger – kleine zilverreiger - roerdomp.
B. Grote zilverreiger – purperreiger - koereiger.
C. Ralreiger – woudaap - roerdomp.
D. Groene reiger – koereiger - kwak.
Graag je antwoord sturen naar stuifmail@omroepbrabant.nl. De winnaar krijgt de eer en een kwartetspel met veel informatie over nationale parken, geschonken door het Van Gogh nationaal park. Zondag tussen elf uur 's ochtends en twaalf uur 's middags hoor je het antwoord.
Veel notenkrakers in ons land, maar waarom zoveel verstoringen?
Naud de Vries was de eerste die mij meldde dat hij een notenkraker had gezien. Hij stuurde een enigszins wazige foto. Toch kun je hierop goed zien dat het deze vogelsoort is. Daarna meldde Kim Jongmans zich, ook met een foto van de notenkraker die gespot was in een tuin. Voorheen kwam het vaker voor dat er notenkrakers in ons land arriveerden, maar de laatste jaren waren er geen massale notenkrakerinvasies meer te zien. Achttien jaar geleden, in 2008, was de laatste invasie van deze bijzondere vogel in ons land. De allergrootste invasie van dit bijzondere familielid van de kraaiachtigen vond plaats in 1968. Dit is liefst 58 jaar geleden. Ik kan me dat nu weer herinneren, want mijn vader nam mij toen als 15-jarige mee naar landgoed Pettelaar bij Den Bosch. Er bestaan trouwens twee soorten notenkrakers: diksnavelnotenkrakers en dunsnavelnotenkrakers. Diksnavelnotenkrakers zijn standvogels en komen voor in de Alpen en de Ardennen, in Midden- en Centraal-Europa. Dunsnavelnotenkrakers, oftewel de Siberische notenkrakers, leven in de taiga’s van Scandinavië, Finland en Siberië. De dunsnavelnotenkrakers gaan bij grote voedseltekorten daar naar zuidelijker en westelijker gelegen landen toe. Daarbij doen ze soms, zoals dit jaar, ons land aan. Dan kunnen vogelaars massaal spieden naar die prachtige vogel. We noemen deze notenkrakers dan ook wintergasten. Maar wij, mensen, behandelen ze niet als gasten! Dunsnavelnotenkrakers zijn weinig mensen gewend en zien ons niet snel als een bedreiging. Daardoor zijn ze goed te benaderen. Met als gevolg dat mensen helaas als gekken op de vogels af gaan om maar een foto van deze vogel te kunnen maken. Helaas, met alle gevolgen van dien voor de rest van de natuur en voor die notenkrakers. Daarom roep ik samen met de natuurorganisaties het massaal toegestroomde publiek op om altijd op de paden te blijven en voldoende afstand te houden, zodat deze uitgeputte vogels in rust naar voedsel kunnen zoeken. Ze zijn namelijk niet voor niets uit de noordelijke Europese gebieden gevlucht. Daar konden ze geen voedsel meer vinden, dus hebben ze honger.
Daarbij komt dat de meeste dunbeknotenkrakers bijna nooit meer terug vliegen en ze de winter in deze streken vaak niet overleven. In de wereld van vogelaars staat deze bijzondere vogeltrek dan ook bekend als todesmigration oftewel dodentrek! Kortom, graag meer respect voor deze bijzonder vogel en ga niet als een horde losgeslagen fotografen op die vogels af. Zie voor meer informatie over de notenkrakers deze link.
Wat is de naam van dit piepkleine slakje?
Loes van Dulmen vond een piepklein slakje en ze wil graag de naam van dit slakje weten. Van dit soort kleine slakjes weet ik zelf te weinig af, maar gelukkig heb ik kort geleden kennisgemaakt met Jurriën de Vries. Die kent heel veel van die kleine slakjes. Hij noemt dit wel een lastig geval. Dit vooral omdat de hoek van de foto van Loes niet optimaal is. Een tip voor iedereen: als je foto’s van dit soort kleine slakjes maakt, houd er dan rekening mee dat je het best een foto van boven maakt én een foto van de zijkant. Zoals je goed kunt zien, is het huisje doorzichtig. Daardoor kun je goed kunt zien welke kleur de levende slak heeft. Door die lichte kleur en de zwarte stipjes, denkt Jurriën dat het hier gaat om een gekielde loofslak. Maar dan waarschijnlijk nog een jong (juveniel) slakje. De gekielde loofslak kwam oorspronkelijk niet in Nederland voor, maar in een gebied van het zuidwesten van Frankrijk tot zeker Slovenië. Vermoedelijk is dit soort huisjesslakken onbewust door de mens in andere delen van Europa terechtgekomen. Inmiddels is de gekielde loofslak algemeen in ons land.
Volgroeide gekielde loofslakken, zie de foto hierboven, hebben een slakkenhuisje dat maximaal zeven millimeter hoog is en maximaal twaalf millimeter breed. Ze leven vooral in de kruiden- en struiklaag van open leefgebieden zoals je die aantreft in rijen hagen en boomgaarden. In bossen komen ze zelden voor. Wat leuk is om te weten, is dat de gekielde loofslak tot nu toe geen meetbare vreetschade aan planten laat zien.
Welke vogel ligt hier dood?
Agnes van Beuningen zag een dode vogel liggen. In eerste instantie dacht ze dat het of een dode jonge mus of een dode jonge zanglijster was. Later hield ze het op een jonge dode zanglijster. Aan mij de vraag of dit klopt. Het antwoord is volmondig ja, dit is een dode zanglijster.
De zanglijster is een van mijn favoriete vogels. Vooral in het vroege voorjaar. Zanglijsters zijn er in het voorjaar al vroeg bij met hun prachtig gezang. Elk voorjaar kijk ik er weer naar uit om hun gezang te horen, want het enthousiaste en vrolijke lied van deze lijsterachtige stemt mij altijd erg vrolijk. Overigens ben ik hierin niet alleen, van veel mensen hoor ik dit. In Frankrijk hebben ze deze mooie zangers, waarvan overigens alleen de mannetjes zingen, een fantastische naam gegeven: grive chanteuse. Ook de wetenschappelijke naam, turdus philomelos, heeft iets met die heerlijke zang te maken. Letterlijk vertaald betekent dit 'hij die graag zingt' of 'liefhebber van de zang'. En dat hoor je. Terwijl het mannetje volop aan het zingen is, bouwt het vrouwtje het nest. Als je ooit zo’n zanglijsternest hebt gezien, dan weet je dat dit een stevig nest is. Dit omdat het vrouwtje het nest aan de binnenkant nog eens besmeert. Het materiaal wat hierbij gebruikt wordt, bestaat vooral uit modder en vermolmde houtresten. Tot slot modelleert ze het nest met haar borst. In ons land broeden jaarlijks zo ruim 120.000 tot 160.000 broedparen. Wat tot slot ook nog mooi is om naar te kijken, is hoe de zanglijsters de huisjes van huisjesslakken kraken. Vooraf heeft zo’n zanglijster dan al een geschikte harde ondergrond - meestal een platte steen - gevonden. Ook stoepranden, dikke takken en stevige boomwortels zijn trouwens geschikt. Hierna gaat de vogel zo'n huisjesslak zoeken en pakt hij of zij de slak bij de rand van de schelpopening stevig vast met de snavel. Met krachtige bewegingen van de kop slaat de lijster het slakkenhuis dan herhaaldelijk tegen de steen tot het huisje breekt. Zodra dat kapot is, trekt de vogel het slakkenlichaam eruit. Wat dan extra grappig is om te zien, is dat de zanglijster de kale slak nog even door het gras of zand veegt om de achtergebleven stukjes schelp en overtollig slijm te verwijderen, voordat de slak wordt opgegeten. We noemen zo’n steen die hierbij gebruikt wordt overigens een lijstersmidse. Dit omdat de zanglijster vaak keer op keer naar dezelfde favoriete steen terugkeert. Naast die lijstersmidse ligt dan een verzameling van kapotgeslagen, lege slakkenhuisjes.
Welke vlinder zat er in deze gevonden lege huid?
Marja Schouten vond onder een struik een joekel ven een leeggegeten insect. Ze dacht aan een nachtvlinder en dat klopt. Wat zij gezien heeft, is de leeggegeten huid van een populierenpijlstaart, zie de foto hieronder.
Populierenpijlstaarten zijn nachtvlinders die thuishoren bij de prachtige en bijzondere familie van de pijlstaartvlinders. Populierenpijlstaarten vliegen vaak al vanaf eind april rond, tot zelfs in augustus. Het leefgebied van dit insect strekt zich uit van vochtige bossen en weiden tot randen van akkers. Ze kunnen een hoogte van 1500 meter bereiken. In de nacht, bij straatverlichting, zie je deze vlinder goed. Overdag vallen ze echter nauwelijks op vanwege hun uitstekende camouflagekleuren. Zeker als deze nachtvlinder de vleugels gesloten houdt tussen dorre bladeren. Met zijn vorm en asgrijze en donkerbruine kleuren lijkt het alsof de vlinder onderdeel is van die dorre bladeren. De populierenpijlstaart met geopende vleugels is een heel mooie bruine pijlstaartvlinder. Je ziet dan op de ondervleugels, die meestal boven de voorvleugels uitsteken, een wazige rode vlek. De pijlstaartvlinder kan een maximale spanwijdte hebben van 92 millimeter en heeft een lichaam van maximaal drie centimeter lang. De rupsen van deze nachtvlinder kunnen een lengte bereiken van wel negen centimeter. Worden ze bedreigd, dan gaan ze in een soort sfinxhouding. Ze richten dan hun voorlichaam op en gaan met de kop weer iets naar beneden, waardoor zo’n rups imposanter en groter lijkt. Deze houding deed de beroemde bioloog Linnaeus denken aan een Egyptische sfinx.
Rupsen van de populierenpijlstaart eten vooral populierenbladeren, maar ook wilgenbladeren. Als hun buikje vol is, maken ze een holletje in de bodem. Dan worden ze een donkerbruine pop en zo overwinteren ze.
Wat is de naam van deze zwam?
Op de foto die ik kreeg van Lisette de Klerk zie je een sponsachtig organisme. Volgens mij is dit een van de mooiste zwammen die we kennen in ons land: de grote sponszwam. De vruchtlichamen van deze zwam komen vooral voor op zandgronden. De grote sponszwam is een echte parasiet, die aan de voet van naaldbomen groeit. Je kunt ze vinden bij grove dennenbomen, maar ook op de stompen van deze bomen. De grote sponszwam tast ook andere naaldbomen aan zoals fijnsparren, lariksen en Douglas-sparren. Het is trouwens ook een echte opruimer. Zodra geïnfecteerde dennenbomen uiteindelijk afsterven, helpt de zwam mee met de houtopruiming. De vruchtlichamen kunnen maximaal veertig centimeter breed worden en vijftien centimeter hoog. Zoals je ook op de detailfoto hieronder goed kunt zien, hebben ze een bloemkoolachtige structuur en heel veel gelobde vertakkingen. Zodra de grote sponszwammen droog worden, worden ze heel breekbaar. Zo’n vruchtlichaam van de grote sponszwam keert vaak jaar op jaar - soms na een maand - terug op exact dezelfde boomstam of plek! Als je zo’n grote sponszwam tegenkomt, moet je er maar eens aan ruiken. De geur is heerlijk zoet en een beetje nootachtig. Overigens smaakt deze grote sponszwam ook zo, maar laat hem maar staan. Dan kunnen ook anderen ervan genieten.
