Verschillende mensen hebben op 29 mei 1947 gezien hoe twee vliegtuigen vlak bij vliegveld Gilze-Rijen tegen elkaar botsen en neerstorten. Ze renden naar de twee plekken waar de zogeheten Avro Ansons terechtkwamen en ontdekten dat twee van de in totaal twaalf dodelijke slachtoffers nog in leven waren. Dat blijkt uit hun getuigenverklaringen die zijn terug te vinden in het Nationaal Archief.

De 19-jarige Vincensius Petrus Joseph Horvers uit Tilburg staat die noodlottige donderdag de buitenkant van de woning van meneer Aarts aan de Langedijk 50 te verven. De schilder is daar samen met zijn vader die op dat moment binnen is. "Doordat ik vliegtuigen hoorde, keek ik omhoog. Ik zag twee vliegtuigen, die op het ogenblik dat ik keek, nog enige afstand van elkaar waren."

Hij ziet dat het ene vliegtuig zijn wielen heeft uitgedraaid, loodrecht op het andere toestel invliegt en het aan de onder- en voorkant raakt. "Het vliegtuig met de wielen uit ging in een steile duikvlucht naar beneden, het andere begon te draaien en maakte ongeveer twintig slagen voor het op de grond kwam. Toen de vliegtuigen al op de grond lagen, vlogen er nog delen van de vliegtuigen door de lucht."

Horvers roept zijn vader en beiden rennen richting het dichtstbijzijnde toestel. Ze ontdekken twee mannen in het wrak. "Samen hebben we twee man eruit gehaald door de riemen van het valschermharnas door te snijden."

Tekenen van leven
Kort daarna komt de 44-jarige landbouwer Antonius Jacobus van Hork, die ongeveer 600 meter van de crashsite woont, aangesneld. "Daar aangekomen zag ik de wrakstukken van dit vliegtuig met de wielen naar boven liggen, terwijl er twee mensen in te zien waren die nog tekenen van leven gaven", aldus Van Hork.

Gezamenlijk leggen ze de mannen naast het wrak. Van Hork: "De ene gaf met enige snikken de geest, terwijl de ander, die ik de pols heb gevoeld, na een kwartier geen levenstekenen meer gaf."

Enige tijd later arriveren de ambulancediensten, maar die kunnen niet anders concluderen dan dat alle inzittenden van dit vliegtuig zijn overleden.

Zwaar verminkte lijken
De zwager van Van Hork, Adrianus Cornelis van Gestel, werkt op het moment van de crash samen met zijn knecht Driek van Alphen in een veld op ongeveer driehonderd meter van de boerderij van Van Hork. Zij rennen naar het andere vliegtuig 'dat met de neus naar beneden recht omlaag viel' en 'op een paar honderd meter van ons verwijderd op de grond uiteen spatte'.

Als ze bij de wrakstukken in het weiland zijn, zien ze al snel dat ze niks meer kunnen betekenen voor de slachtoffers. "Ik zag dat alles daar nagenoeg onherkenbaar was vernield, terwijl ik rondom dit wrak enige zwaar verminkte lijken zag liggen. Er viel geen levensteken meer waar te nemen", vertelt Van Gestel later aan de marechaussee. 

"Later heb ik op mijn perceel weiland een afgerukte hand gevonden waarvan aan een der vingers zich nog een ring bevond." Hij laat de militairen die de lijken bergen de hand zien en die nemen hem mee.

Elkaar over het hoofd gezien
De dag erna wordt een onderzoekcommissie ingesteld die ook foto's laat maken van de wrakken, die inmiddels uit de stukken bij het Nationaal Archief blijken te zijn verdwenen. Ze concluderen dat beide vliegers elkaar, ondanks dat het prachtig en helder weer was, over het hoofd hebben gezien. Dat kwam mede omdat de radioverbindingen tussen de vliegtuigen en radiotoren van vliegbasis Gilze-Rijen niet goed werkten. 

Ook speelde een rol dat de bestuurder van het ene toestel net daarvoor handmatig de landingswielen had moeten uitdraaien, dat kost 160 slagen, terwijl de piloot van het andere vliegtuig daar net mee was begonnen. Beide vliegers waren daardoor waarschijnlijk afgeleid.

Ze doen een aantal aanbevelingen om herhaling te voorkomen en heffen ook nog bestraffend het vingertje: "Bij vliegtuigen met enkele bestuurderszitplaats moet de bestuurder erop bedacht zijn niet alleen in de richting van het vliegveld, doch ook naar de buitenzijde uit te kijken, hetgeen nogal te vaak wordt vergeten."